18. Catastrofisme, geen actualisme


In de vorige hoofdstukken werd de geologische opbouw van de Alpen verklaard met behulp van een uitgesproken catastrofistisch model. Daarin spelen impacts die magmastormen onder de bovenkorst genereren een centrale rol. Door deze magmagolven worden stukken aardkorst opgeheven, verplaatst en over elkaar heen geschoven. Daarbij vallen korstfragmenten gedeeltelijk uit elkaar, terwijl door 'gravity sliding' hun sedimentbedekking kilometers verderop in de voorlandbekkens van de Alpen wordt gedumpt. Het is aannemelijk dat dit allemaal 'high energy' of 'high speed' processen zijn geweest, die zich hebben afgespeeld in een tijdbestek van enige honderden jaren.

Dit catastrofistisch verklaringsmodel van de Alpen staat in schril contrast met de gevestigde wetenschappelijke interpretatie van het ontstaan van de Alpen. Die is gebaseerd op de standaard theorie van de platentektoniek. Het uitgangspunt daarvan is het actualiteitsprincipe. Dit beginsel houdt in, dat gebergtevorming en plaatbewegingen vroeger volgens dezelfde geologische processen en met dezelfde snelheid zich hebben afgespeeld als tegenwoordig.

In dit hoofdstuk wordt betoogd, dat dit actualiteitsprincipe de grootste fout is van het gevestigde wetenschappelijke verklaringsmodel van de Alpen. Daarvoor worden drie argumenten (A, B, C) gegeven.

 

A. In de eerste plaats, omdat het actualistisch uitgangspunt waarop de standaard theorie van de platentektoniek is gebaseerd geen rekening houdt met de speciale context waarin de Alpen zijn ontstaan.

In de huidige omstandigheden zien we, dat er nergens op aarde gebergten oprijzen. De stijging van de Alpen met 1,7 mm per jaar (in Wallis) kun je toch moeilijk gebergtevorming noemen. Het dichts in de buurt komt het het omhoog komen van eilanden nabij actieve plaatranden, zoals bij IJsland en Japan. Maar deze eilandvorming voltrekt zich als een plotseling proces, bij wijze van spreken, op een woensdag namiddag.

We hebben in de vorige hoofdstukken gezien, dat de gebergten in het Middellandse zeegebied zijn ontstaan in een buitengewoon bijzondere situatie. Namelijk in een tijd dat de aarde door een serie kosmische inslagen aan het eind van het Krijt te grazen werd genomen. Het was toen beslist geen 'bussiness as usual' op aarde. De bergen verrezen binnen een zeer extreme 'high energy' impact context.

Klaarblijkelijk vereist het bijzondere gebeuren van grootschalige gebergtevorming in het Tertiair de zeer speciale omstandigheden van een kosmisch bombardement. Vandaar dat alleen in het Tertiair er zich wereldwijd gebergtevorming voordeed. In het voorafgaande Krijt was alles rustig aan het gebergtefront. Daarom staat deze periode te boek als 'the long quiet period'.

 

B. In de tweede plaats voldoet de klassieke theorie van de platentektoniek niet, omdat de direct waarnaambare (geomorfologische) feiten in de Alpen toch echt spreken van geweldige catastrofes. Hieronder volgen twee voorbeelden. Die zijn samen representatief voor de explosie van geweld waarmee het ontstaan van de gebergten aan de noordkant van de Alpen gepaard is gegaan.

Het eerste voorbeeld betreft de aardlaagvorming in het noordwesten van het Aare massief.

De contouren van dit massief zie je in onderstaande kaartje. Het paarse gebied linksboven geeft aan, dat hier een granietplutoon, het Gasterngraniet, drie kilometer omhoog is gekomen. De grijze gespikkelde zone, ten zuiden van het Gasterngraniet (rond het Lötschental), stelt stukken gneis van het Aare massief voor, die, vanuit de diepten van de aarde, zijn opgestuwd. De foto daaronder illustreert met welke kracht de opheffing van het graniet en het gneis moet zijn gebeurd.

Bij langzame stijging van de graniet en gneis massa's zou de bovenliggende sedimentlaag - kustsedimenten uit het Trias, Jura, Krijt en Tertiair - zijn weggeerodeerd, of hooguit aan de kant zijn geschoven. Maar hier zien we iets totaal anders.

Het hele pakket kustafzettingen is 90 graden gekanteld, dus vertikaal gesteld en daarbij deels omgeklapt, waarna het hele pakket, onder z'n eigen gewicht, in elkaar is gezakt. Zo vormden zich de drie boven elkaar liggende S vormige plooien die op de foto te zien zijn. Dit gekantelde, omgeklapte en in elkaar gezakte pakket sedimenten wordt nu de Ferdenrothorn genoemd.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Het Gasterntal, een indrukwekkend U vormig gletsjerdal. In de linker wand zie je de kalkafzettingen van de Doldenhorn. Die zijn 90 graden gekanteld toen het Gasterngraniet omhoog kwam. Dit granietlichaam zie je, met bos begroeid, in het midden van het dal onder de kalk vandaan komen. De donkere top achterin het dal is de Hockenhorn. Dit is een geisoleerd stuk gneis van het Aare massief. Dat is van zuid naar noord over de kalkafzettingen, die het Gasterngraniet bedekken, geschoven. Zo'n stuk gesteente, dat los geraakt is van de hoofdmassa waartoe het behoort, wordt een 'klippe' genoemd.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

In bovenstaande foto zie je op de voorgrond het licht groene Gasterngraniet. De grijze band daarboven, bestaat uit Trias dolomiet (deze laag vind je over de volle breedte aan de noordkant van het Aaremassief). De rechtop staande, bruin gekleurde en in drie S bochten geplooide aardlagen zijn uit het Onder Jura.

Onderstaande foto brengt nog eens goed in beeld, hoe de aardlagen van het Jura loopdrecht omhoog lopen, aan de bovenkant zijn omgeklapt en daarna in elkaar gezakt. Het gaat hier nadrukkelijk om 'soft sediment deformation'. Dit is zeer opmerkelijk, want volgens de officiële datering zouden de Jura aardlagen zo'n 190 tot 170 miljoen jaar oud zijn. Mainstream geologen dateren het omhoogkomen van het Gasterngraniet op 10 tot 20 miljoen jaar geleden. Binnen dit scenario betekent de 'soft sediment deformation', dat de Jura sedimenten in 150 tot 180 miljoen jaar niet zouden zijn verhard tot een vast gesteente. 

Het alternatieve scenario luidt, dat de opgeheven en geplooide kustsedimenten van het Jura t/m het Tertiair in een relatief kort tijdsbestek (van mogelijk enige honderden jaren) zijn ontstaan en vlak daarna op zeer gewelddadige manier vertikaal zijn gesteld. Deze voorstelling past beter bij de feiten dan het 'slow motion' (alles verliep heel langzaam) en 'deep time' (alles gebeurde heel lang geleden) verhaal dat mainstream geologen, vanuit de actualistische theorie van de platentectoniek, hierover hebben bedacht.

  Klik op de afbeelding om te vergroten.

Onderstaande dwarsdoorsnede brengt in beeld, hoe groot het drama is, dat zich heeft afgespeeld toen de graniet en gneis massa's omhoog kwamen. De kleine berg rechts is de Ferdenrothorn. De grote berg links daarvan is de Balmhorn.

Bij de Balmhorn zien we hetzelfde als bij de Ferdenrothorn. Alleen dan in spiegelbeeld en op een 10 keer zo grote schaal. Het totale gesteentepakket vanaf de Balmhorn tot de linker rand van de doorsnede bestaat uit aardlagen van het Jura (rechts) en Krijt (links). Dit geheel was oorspronkelijk zo'n 10 kilometer lang en 1 km hoog en bedekte het Aare massief toen dat nog diep in de aarde verborgen zat.

In de doorsnede zien we, dat dit 10 km lange pakket sedimenten 90 graden is gekanteld, dus vertikaal gesteld. Dit steilstaand pakket aardlagen is daarna in elkaar gezakt en naar links (richting noord westen) over een afstand van 10 km uitgevloeid.

Van rechts naar links kijk je dus tegen een stapel rechtop staande aardlagen aan, waarbij de lagen naar links toe zich oorspronkelijk boven de rechts ervan gelegen lagen bevonden. De stapel was oorspronkelijk 1 km dik, maar door de kanteling en het inzakken is het geheel over zo'n 10 km uitgevloeid.

Wat een ongekend spektakel! In vergelijking met het tafereel van de Feldenrothorn spreken de aardlagen van de Balmhorn van een nog vele male grotere catastrofe.

  Klik op de afbeelding om te vergroten.

Onderstaande foto geeft een detail van de kalken uit het Onder Krijt. Die bevinden zich in het bovenstaande profiel aan de linker kant, direct rechts van de aanduiding NW.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

In onderstaande dwarsdoorsnede zie je links de Rinderhorn. Deze berg ligt direct ten zuiden van de Balmhorn. De Torrenthorn grenst aan de Feldenrothorn. Het gaat hier dus om twee tweeling bergen: Balmhorn/Rinderhorn en Feldenrothorn/Torrenthorn. Daarom vertelt deze figuur ook het verhaal van de het ontstaan van de Balmhorn en de Feldenrothorn.

De figuur laat zich als volgt interpreteren. Eerst is, helemaal rechts, het gneis van het Aare massief onder een hoek van bijna 90 graden vanuit het zuidoosten uit de diepte opgedoken. De bovenkant van het Aare massief stak dus bijna vertikaal boven het aardoppervlak uit. Wat betekent, dat ook de oorspronkelijke sedimentbedekking van het Aare massief 90 graden kantelde en praktisch rechtop kwam te staan.

In tweede instantie werd het Gasterngraniet omhoog gedrukt. Tijdens het opstijgen van deze granietplutoon spleet het pakket sedimenten, dat oorspronkelijk het Aare massief bedekte en vervolgens gekanteld boven op het Gasterngraniet terecht was gekomen. Dit splijten deed zich voor in de donker grijs gekleurde sedimenten van het Midden Jura (Dogger). De praktisch rechtsopstaande sedimenten van het Onder Jura schoven na de splijting naar rechts, d.w.z. naar het zuidoosten. Zo ontstond de Torrenthorn (en de Feldenrothorn). De sedimenten van het midden Jura t/m het Tertiair schoven naar links, d.w.z. naar het noord westen. Deze glijpartij resulteerde in het ontstaan van de Rinderhorn (en z'n tweelingbroer de Balmhorn).

De ontstaansgeschiedenis van de Rinderhorn/Balmhorn en Torrenthorn/Feldenrothorn is een waar drama. Een geologische variant van een Grand Opera. Die kent de volgende bedrijven: het omhoog komen van stukken continentale korst (Aare en Gastern massief), het 90 graden kantelen van de sedimentbedekking, het in tweëen splijten van de gekantelde sedimentpakketten en tenslotte de noordwaartse en zuidwaartse afschuiving van deze gespleten delen.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Op bovenstaande foto is de blikrichting vanuit het zuiden. In het midden ligt Leukerbad. Helemaal rechtsboven zie je het omhoog gekomen Aare massief, bestaande uit gneis. De steile donkergroene helling met het zigzag pad, op de voorgrond rechts, is de Torrenthorn. Die bestaat uit kieselkalken van het Onder Jura (Lias). De drie toppen boven in de foto rechts van het midden zijn, van rechts naar links, de Balmhorn, Altels en de Rinderhorn. Deze bergen bestaan uit sterk geplooide sedimenten van het Jura (rechts Dogger uit het Midden Jura, links Malm uit het Boven Jura). Dit pakket is 90 graden gekanteld en van het onderliggend Gasterngraniet naar het westen (links) gegleden. De aardlagen rondom het meertje - de Daubensee, dat aan de voet van de Rinderhorn ligt, bestaan uit  zachte, sterk geerodeerde kleien van het Onder Krijt. 

De Daubensee ligt in de bovenstaande dwarsdoorsnede in het dal links van de Rinderhorn. De dwarsdoorsnede loopt in de foto als een denkbeeldig schuin vlak rechts van Leukerbad. Dit vlak loopt van rechtsvoor (Torrenthorn) via de bergtop precies midden boven in de foto (Rinderhorn) naar het meertje links aan de voet van de Rinderhorn.

Het tweede voorbeeld van de gigantische krachtexplosie die tot de gebergtevorming aan de noordkant van de Alpen heeft geleid gaat over de bergen op het traject Thun, Interlaken Junkfrau. Daarvan geeft het onderstaande profiel een schematische weergave. Helemaal links liggen de bergen ten noorden van Thun. Links van het midden ligt Interlaken en helemaal recht zie je de Junkfrau. 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Ook dit pakket gesteenten heeft een dramatische ontstaansgeschiedenis meegemaakt. Oorspronkelijk lag dit geheel aan zeebodemsedimenten ongeveer 50 km zuidelijker, dat is in de figuur rechts van de Junkfrau. Deze sedimenten bedekten het Aarmassief en het zuidelijk daarvan gelegen Gotthard massief. Deze beide lichamen zaten toen nog enkele kilometers diep in de aardkorst verborgen.

In het midden Tertiair zijn deze massieven, grotendeels bestaande uit graniet en gneis, omhoog gekomen. Daarbij schoof vrijwel de complete sedimentbedekking van de massieven naar het noorden a.g.v. 'gravity sliding'. De zachte sedimentbedekking, die oorspronkelijk ten noorden van het Aarmassief lag en die in de figuur bij B in beeld wordt gebracht, vormde daarbij een soort glijmidden. Deze zachte deklagen bij B, aan de noordkant het Aarmassief, zijn dus niet horizontaal verplaatst. Ze worden gerekend tot de autochtone sedimentsbedekking. 

Alle lagen boven deze zachte deklagen bij B komen dus van 50 km zuidelijker. Een dergelijk dik pakket aardlagen, dat over grote afstanden horizontaal is verplaatst, wordt een 'nappe' of 'decke' genoemd. 

Het cruciale punt is nu, dat zo'n 'nappe', met volumes van honderden tot duizenden km3, niet langzaam zich kan hebben verplaatst. Het gewicht van het pakket zal de beweging al snel tot nul reduceren. Het zelfde gebeurt bij een oneffenheid in het relief waarover de 'nappe' schuift.

Dat je tegenwoordig nergens op aarde langzame bewegingen van 'nappes' waarneemt toont ook aan, dat langzame grootschalige horizontale verschuiving van pakketten sedimenten niet actualistische te duiden is. Alleen op catastrofale wijze, dus met hoge snelheid, kunnen dergelijke dikke pakketten sedimenten door de zwaartekracht zulke grote afstanden afleggen. De kenmerken van het profiel wijzen daar in hoge mate op. Want wat zien we in de doorsnede?

Tussen de Junkfrau en Schnynige Platte bestaat de nappe uit Jura sedimenten. Links daarvan liggen sedimenten van het Krijt en Tertiair.  Die lagen oorspronkelijk op de Jura sedimenten. Dit betekent, dat toen de onderkant van de nappe met Jura sedimenten vast liep in een bekken van molasse (een soort grindbak), de boven gelegen lagen van het Krijt en Tertiair nog zoveel snelheid (momentum) hadden, dat ze zo'n 15 km door gleden. Aan de linker kant van het profiel zie je, dat de voorkant van het pakket Krijt /Tertiair uiteindelijk in de vorm van een soort brandingsgolf vastloopt in de grindbak eronder. Daar zijn de molasse lagen door de kracht van het aanstormend Krijt/Tertiair pakket scheefgesteld.

Dat de voorkant van het Krijt/Tertiair in de vorm van een soort 'brandingsgolf' is vastgelopen laten onderstaande figuren zien. De top van de 'brandingsgolf' lag oorspronkelijk ter hoogte van het Justital tussen Spitze Fluh en de Niederhorn. Door erosie is deze (anticlinale) top verdwenen en is er tussen de beide flanken van de golf een (Justi)dal ontstaan.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

  Klik op de afbeelding om te vergroten.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

(Josti tal met links Spitzie fluh en rechts de Niederhorn)

 

De doorsnede laat nog iets interessants zien. Nadat de pakketten Jura en Krijt/Tertair hun positie naast elkaar hadden ingenomen kwam het Gastern graniet omhoog. Dat is het gebied met de kruisjes rechts in de doorsnede bij A. Door de kracht van deze opheffing werden de Jura lagen in noordelijke richting als schubben over elkaar geschoven (bij Schnynige Platte en Männlichen). De naar links (noordwesten) glijdende Juralagen schoven, links van Schnynige Platte, de aangrenzende Krijt/Tertiair lagen opzij. Dat gebeurde op een zodanig heftige manier, dat dit pakket Krijt/Tertiair volledig werd omgeklapt, daarbij in twee schubben brak, die dakpansgewijs over elkaar heen kwamen te liggen. Dat is de situatie die we nu bij Harderkulm, ten noorden van Interlaken en onder Matten aantreffen. Daar liggen de aardlagen, als gevolg van het omklappen, in omgekeerde volgorde: het Krijt ligt boven het Tertiair

Klik op de afbeelding om te vergroten.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

(In de bergketen in het midden ligt ten noorden van Interlaken. Daar zijn de aardlagen van rechts naar links omgeklapt, waardoor ze in omgekeerde volgorde liggen: het bovenste deel bestaat uit Krijt, het onderste deel uit Tertair).

 

Onderstaande foto's brengen in detail in beeld, hoe de aardlagen in de botsingszone tussen de Jura sedimenten en de Krijt/Tertiaire lagen zijn vervormd. De eerste foto toont een indrukwekkend pakket vertikaal gestelde Tertiaire flysch (modder turbidieten) in de Sörenberg; in de foto daaronder zien we chaotisch verfrommelde Jura kalken (bij Brienz). 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

  Klik op de afbeelding om te vergroten.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Ook de structuur van de aardlagen tussen Thun en de Junkfrau spreekt van geologische processen die niets te maken hebben met wat er zich tegenwoordig op geologisch gebied op aarde afspeelt. De geologische glijpartijen waarvan deze aardlagen getuigen zijn catastrofes zonder weerga geweest; een actualistische verklaring slaat de plank hier volkomen mis.

 

 C. In de derde plaats voldoet het actualistisch tectonisch verklaringsmodel niet vanwege allerlei feiten die er niet mee in overeenstemming zijn. Die worden hieronder op een rijtje gezet.

  1. In Wallis (Zuid West Zwitserland) stijgen de Alpen, door de combinatie van opheffing en erosie, per saldo met 1,7 mm per jaar. Reken je actualistisch terug, dan moet 65 miljoen jaar geleden, toen de opheffing van de Alpen zou zijn begonnen, de aardlagen die nu de Alpenmassieven vormen, tenminste 100 km dieper hebben gelegen. De gesteenten in de Alpen geven nergens de indruk van zo'n diepte afkomstig te zijn. Want in dat geval zouden de aardlagen door de grote druk en temperatuur diep in de aarde al in een vroeg stadium zijn verhard en omgebakken tot metamorfe gesteenten als marmer, kwartsiet, schalie of gneis. Dit is niet het geval. Integendeel deze sedimenten bevonden zich nog in plastische toestand toen ze tijdens het ontstaan van de Alpen werden opgeheven en vele tientallen kilometers naar het Noorden schoven.
  2. Daar komt nog bij, dat de kracht van de huidige magmastromen diep in de mantel ontoereikend is om aardplaten en sedimentpakketten vanuit de diepten van de aarde tientallen kilometers omhoog te stuwen en zijwaarts te transporteren.
  3. Ook blijkt, dat de meeste sedimentpakketten en aardplaten (nappes of decken) die in de Alpen tientallen kilometers horizontaal zijn verplaatst aan de voorkant (noordzijde) sterk zijn geplooid en in elkaar geperst en niet aan de achterkant (zuidzijde). Hetgeen betekent, dat deze nappes onder invloed van de zwaartekracht naar beneden zijn gegleden en vervolgens aan de voorkant tegen een ander pakket aardlagen zijn gebotst. Daardoor ontstonden de plooiingen en kreukels. Vergelijk dit met een auto die van een helling afrolt en tegen een muur botst, waardoor de hele voorkant in puin ligt. Wanneer een gesteentepakket van diep uit de aarde naar boven zou zijn geduwd zouden de plooien vooral aan de achterkant moeten zitten. Vergelijk dit met een auto die van achteren wordt aangereden. Nogmaals: de nappes in de Alpen zijn vooral aan de voorkant geplooid, wat betekent dat ‘gravity sliding’ en niet druk van onderop of van achter het gesteente heeft verplaatst.
  4. Aardlagen van het Trias t/m het Krijt zijn in het Tertiair over het Europese continent geschoven. Daarbij zijn deze aardlagen, die in het Tertiair inmiddels 200 tot 50 miljoen jaar oud waren, allemaal stuk voor stuk door 'soft sediment deformation' vervormd in de meest extreme structuren. Dat wil zeggen, dat deze aardlagen nog zacht, plastisch en makkelijk vervormbaar waren. Deze 'soft sediment deformatie' geeft aan, dat de geplooide aardlagen nooit zo oud zijn geweest als het officiële verklaringsmodel van de Alpen aanneemt.
  5. De extreme plooiingen die je in de Alpen gesteenten tegenkomt zijn moeilijk voor te stellen als resultaat van uiterst langzame bewegingen van de aardkorst en de sedimenten. Een 100 meter dik pakket rechtopstaande kalklagen waarin 3 dubbele S bochten, dus 6 curves, boven elkaar voorkomen, kan eigenlijk alleen maar snel op catastrofale wijze zijn gevormd.
  6. Er komen in de aardlagen van Wallis (b.v. het Monte Rosa dekblad) mineralen (o.a. epidoot en eklogiet) voor, die onder zeer hoge druk zijn ontstaan. Volgens geologen heerst de druk die nodig is voor de vorming van deze mineralen op diepten in de aarde van 60 t/m 100 km. Deze gesteenten, die nu in Wallis op 3000 meter hoogte liggen, moeten tijdens de Alpine plooiing eerst 60 tot 100 km in de aarde zijn weggedoken en daarna weer zijn opgestuwd naar de huidige ligging. Het probleem hierbij is, dat de genoemde hoge druk mineralen alleen op een snelle manier ontstaan. Bij langzame vorming gevolgd door verticaal transport blijken deze mineralen in andere typen te worden omgevormd (M.Stephan, Sintflut und Geologie. Schritte zu einer biblisch-urgeschichtlichen Geolgie, 2010, SCM Hanssler, p.266).  Dit wijst er op, dat de hoge druk mineralen niet op grote diepte zijn ontstaan, maar relatief dicht aan het aardoppervlak als gevolg van een catastrofale botsing van aardplaten. 
  7. Het actualistisch plaattektonisch model van de Alpen stelt, dat het Afrikaans continent eerst, in het Jura en Krijt, naar het oosten is geschoven. Daarbij zou in een tijdsbestek van 100 miljoen jaar de zuidrand van het Europese continent uit elkaar zijn getrokken. Met als gevolg de vorming van de Wallis trog en het Piedmont bekken. Deze bekkens zijn tijdens de vorming van de Alpen in het Tertiair weer dichtgeknepen. Deze volgorde van gebeurtenissen houdt in, dat de aardkorst aan de zuidrand van het Europese continent een harmonicabeweging heeft ondergaan. Eerst richting het zuidoosten, daarna naar het noordwesten.De klassieke platentektoniek theorie biedt echter geen verklaring voor deze verandering in bewegingsrichting.
  8. Het actualistisch plaattektonisch model van de Alpen impliceert, dat de ontwikkeling van de Alpen een uiterst traag, geleidelijk en continu proces is geweest. Echter, de geologische feiten wijzen er op, dat de plaatbewegingen zich niet geleidelijk en continu, maar in aparte pulsen hebben voltrokken. Dat geldt zowel voor het uit elkaar trekken (pull apart) van de zuidrand van het Europese continent aan het eind van het Trias als voor het dichtknijpen van de Piedmont zeearm (push together) daarna in het Tertiair. Tussen de 'pull apart' pulsen en de episoden van 'push together' heeft een aanzienlijke tijd gezeten waarin er tectonisch niets gebeurde. Deze ´long quiet period´ omvat de geologische tijdvakken van het Jura en Krijt. Die hebben samen mogelijk enkele honderden jaren geduurd.

    Dat het uit elkaar trekken van de zuidrand van het Europese continent aan het eind van het Trias in twee episoden heeft plaatsgevonden kan uit de volgende feiten worden afgeleid:

    • De bodem van de Piedmont zeearm blijkt opgebouwd uit twee boven elkaar gelegen basaltlagen. Die zijn beide afgedekt met een dunne laag radiolariet, een afzetting die vooral in dieper oceaanwater ontstaat.
    • Bij het uit elkaar trekken van de zuidrand van Europa heeft zich ten noordwesten van de Piedmont zeearm ook nog een depressie ontwikkeld, de zogenaamde Wallis trog. Die blijkt uit twee zelfstandige delen te bestaan. Op basis van de sedimentvulling wordt afgeleid, dat het meest zuidelijke deel in de Jura periode is ontstaan, het noordelijke deel ontwikkelde zich later in de Krijt periode. 
    • In het huidige Jura gebergte komen rifstructuren voor. Die dateren ook uit de perioden van het Jura en het Krijt. Deze rifstructuren blijken een duale opbouw te kennen. Het onderste deel is in de Jura periode gevormd na afloop van de eerste episode waarin het Europese zuidrand uit elkaar werd gerukt. Het bovenste deel ontwikkelde zich in het Krijt, nadat de tweede ‘pull apart’ episode achter de rug was.

    Ook het dichtknijpen van de Wallis trog en het Piedmont bekken in het Tertiair heeft zich in twee pulsen voltrokken. Daarop wijzen vier feiten:

    • Tijdens dit dichtknijpen zijn stukken van de ondergrond van de zuidrand van het Europese continent omhoog gekomen. Dit zijn de autochtone massieven. Deze opheffing is in twee fasen verlopen. Eerst kwamen de meest zuidelijke (of oostelijke) massieven omhoog,  bv. het Gotthard massief (of Mont Blanc massief); in een tweede fase werden de meer noordelijk (of westelijk) daarvan gelegen massieven opgestuwd, b.v. Aare en Gastern massief (of het Aiguilles Rouges massief).
    • Tijdens het dichtknijpen ontwikkelde zich ten noorden van de huidige Alpen het zogenaamde Voorlandbekken. Dit bekken is volgestort met geweldige hoeveelheden erosiepuin uit de Alpen, flysch en molasse genoemd. De ontwikkeling van dit voorlandbekken en de opvulling ervan blijkt zich ook weer in twee episoden te hebben voltrokken: in de eerste episode werd de onderste mariene molasse afgezet, gevolgd door de onderste zoetwatermolasse, waarna het bekken volledig gevuld was. Daarna heeft zich nog een tweede episode voltrokken waarbij het bekken zich opnieuw verdiepte. Daardoor werd de bovenste mariene molasse afgezet, gevolgd door de bovenste zoetwatermolasse, waarna het bekken opnieuw en nu definitief volledig was gevuld met erosiepuin. Deze twee fasen waarin het Alpenvoorlandbekken zich ontwikkelde corresponderen met twee pulsen van opheffing in de Alpen.
    • Op veel plaatsen in de Alpen getuigen de op elkaar gestapelde pakketten aardlagen, (decken of nappes) van een dubbele overschuivingen, dus dat er achtereenvolgens twee keer een overschuiving heeft plaatsgevonden. We constateerden dit b.v. in het profiel van de kalkalpen ten noordwesten van de Junkfrau. Daar kwamen, ten westen van Schnynige Platte, de Jura sedimenten een tweede keer in beweging, waarbij ze over de naast gelegen Krijt sedimenten schoven. Een ander beroemd voorbeeld van dubbele overschuiving is de Glarner overschuiving die in de Tschingelhorn te zien is. In deze berg (zie onderstaande figuren) zien we bovenin, dat een pakket Permische Verrucano conglomeraat over Quinten kalk van het Jura is geschoven. Dit geheel van Verrucano en Quinten kalk is daarna weer over een laag flysch sediment uit het Eoceen (vroeg Tertiair) getransporteerd. Merk op, dat het onderliggende flysch in de bovenliggende Quinten kalk is geperst. Wat betekent dat deze Krijtkalk nog zacht was toen dat gebeurde.    Klik op de afbeelding om te vergroten.

      Klik op de afbeelding om te vergroten.

    • Tijdens het omhoogkomen van de autochtone massieven werden de mariene sedimenten van het Mesozoïcum en Kaneozoïcum die ten noordwesten ervan lagen, als door een bulldozer, tientallen kilometers opzij geschoven. De anhydrietlaag uit het Trias fungeerde hierbij als glijlaag. Uiteindelijk werden deze kustsedimenten tegen de Vogezen en het Zwarte Woud opgestuwd. Zo ontstond het Jura gebergte. Ook deze gebergtevorming blijkt zich in twee fasen te hebben voltrokken. In de eerste fase ontstond de Tafeljura, gevolgd door een tweede fase waarin de Faltenjura zich vormde.
  9. De langzame, naar het zuiden gerichte subductie (wegduiken) van de oceaanbodem die tussen Europa en Afrika in moet hebben gelegen, zou tot een keten van vulkanen aan de noordrand van het vooruitgeschoven stuk Afrikaanse korst, dat is het Oost Alpien en het Zuid Alpien, hebben geleid, op een zelfde manier zoals nu in Indonesië of in de Andes het geval is. Van deze vulkanische activiteiten is echter geen spoor te bekennen.
  10. Wat de subductie van de oceanische korst betreft speelt er nog een punt. Eigenlijk zou de zware zeebodem van het Piedmont bekken in z´n geheel onder het Zuid en Oost Alpien moeten zijn verdwenen. Echter we vinden hoog in de Alpen op de Penninische dekbladen (van de Briancon hoogte) grote delen van de Piedmont oceaanbodem terug in de vorm van leisteenpakketten (Bündnerschiefer) plus daar door heen gemixt het basalt van de toenmalige bodem van dit bekken. Dit gegeven laat zien, dat er zich bij het dichtknijpen van de Piedmont depressie geen noemenswaardige subductie heeft afgespeeld. De oceaanbodem lijkt eerder door de stuwende werking van magma uit de asthenosfeer omhoog te zijn gedrukt. Zo is de inhoud van het Piedmont bekken in de hoogste verdieping van het Alpen gebouw terecht gekomen. Zowel deze obductie van oceanische korst als het ontbreken van een vulkaanketen aan de zuidkant van de Alpen suggereren, dat het dichtknijpen van het Piedmont bekken geen actualistisch, langzaam, maar een kortdurend, explosief tektonisch proces is geweest, dat door het omhoog komen van materiaal uit de asthenosfeer werd bepaald.

 

Elk verklaringsmodel is zo sterk als het uitgangspunt waarop het is gebaseerd. De klassieke verklaring van de Alpen gaat uit van het actualisme. Dit is een zeer dubieus principe, dat alles wat er op volgt waardeloos maakt. Daarom is in dit hoofdstuk betoogd, dat de standaard verklaring van de Alpen een tunnelvisie is, die geen geldige verklaring voor het ontstaan van de Alpen oplevert. Dit verklaringsmodel doet geen recht aan de feiten. Die spreken van catastrofistische processen, waarin stukken aardkorst met groot geweld en in hoge snelheid zijn opgestuwd en sedimentpakketten door 'gravity sliding' in snel tempo kilometers ver worden verplaatst.

Ook houdt het standaard verklaringsmodel van de Alpen geen rekening met de specifieke 'high energy' impact context waarin de gebergten in het Middellandse zeegebied zijn ontstaan. 

In het volgende hoofdstuk behandelen we de bijzondere zoutvorming in bekkens in de Middellandse Zee. We zullen constateren, dat ook deze kolossale zoutaccumulatie niet te begrijpen valt vanuit de standaard theorie die hierover in de gevestigde wetenschap is ontwikkeld. Ook voor deze extreme zoutvorming geldt, net als bij de gebergtevorming in het Middellandse zeegebied, dat speciale verschijnselen zeer speciale omstandigheden als verklaring vereisen.