21. Een nieuwe kijk op de geologische tijdschaal


Het Alpen gebergte is vrijwel geheel opgebouwd uit sedimenten van het Mesozoïcum en Kanozoïcum. Volgens de officiële geologische tijdschaal zijn deze afzettingen 2 tot 225 miljoen jaar oud. In dit slothoofdstuk wordt de datering van deze aardlagen ter discussie gesteld. Hierbij draait het om de inschatting dat deze gesteenten langzaam en in zeer lange tijdperken zouden zijn geaccumuleerd en om hun radiometrische modelleeftijden in miljoenen jaren.

In diverse hoofdstukken van deze website worden dikke strepen gezet door een aantal opvattingen van de mainstream aardwetenschap. Te beginnen bij het actualisme - de gedachte dat alle geologische processen vroeger net zo snel verliepen als tegenwoordig (hoofdstuk 5 en 18). Deze 'dwaling' maakt de gevestigde deeltheorieën over de aardgeschiedenis, die op dit wankele fundament zijn gebaseerd, dubieus en discutabel.  

Dat geldt allereerst voor de standaard theorie van de platentektoniek. Die is achterhaald en niet relevant voor de geologie van het Middellandse zeegebied (hoofdstuk 3 en 11). Ook de gevestigde theorieën over het ontstaan van de Alpen (hoofdstuk 2 t/m 7), over de ijstijd (hoofdstuk 20) en over de massale zoutaccumulaties op de bodem van de Middellandse Zee in het Mioceen (hoofdstuk 19) rusten op het ondeugdelijke uitgangspunt van het actualisme en doen daarom geen recht aan de feiten. Want al deze geologische verschijnselen wijzen op catastrofes die geheel buiten onze huidige ervaringshorizont vallen.

Het actualisme fungeert ook als principe achter de datering van de aardlagen van de geologische kolom. Elke periode van dit indelingssysteem van aardlagen vertegenwoordigt een pakket sedimenten dat in sommige gevallen honderden meters dik is. Verondersteld wordt dat deze afzettingen in 'slow motion' zijn geaccumuleerd: elk jaar gemiddeld niet meer dan enkele millimeters sediment. Vanuit deze aanname komen aardwetenschappers tot de geologische tijdschaal van miljoenen jaren (zie figuur 21.1). Het zijn verder de radiometrische dateringen van tussen geschakelde lava's en granietintrusies die deze geologische tijdsrekening een aura geven van exacte, niet ter discussie staande kennis en absolute waarheid. 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 21.1. De geologische kolom (het indelingssysteem van het archief van aardlagen) en de daaraan toegevoegde geologische tijdschaal (de datering van de aparte perioden van de geologische kolom).

 

Dat de aardlagen van het Mesozoïcum en Kanozoïcum in miljoenen jaren zouden zijn afgezet is een misvatting. Die komt voort uit een verkeerde inschatting van de geologische omstandigheden na afloop van het Paleozoïcum. Toen lag de aarde er volkomen anders bij als nu en toen verliepen de geologische processen ook totaal anders dan tegenwoordig. De mainstream geoloog Peter Ward is zich - als één van de weinigen - bewust van de consequenties van de buitengewone condities die op aarde heersten vanaf het Paleozoïcum.

In een recente studie (van de Karroo in Zuid Afrika) maakt Ward een behartigenswaardige opmerking. Hij signaleert, dat geologen de neiging hebben te denken, dat de snelheid waarmee sedimenten in het verleden zich ophoopten gelijk moet zijn geweest aan die van tegenwoordig. Deze gedachte noemt Ward een psychologische dwangbuis. Hij legt uit dat aan het eind van het Paleozoicum de aarde er volkomen kaal bij lag. Alle vegetatie was verdwenen. Daarom speelden erosie en sedimentatie zich af met een snelheid en intensiteit die vele malen hoger was dan wat wij nu gewend zijn.

Zo komt Ward (m.b.t. de Karroo) tot de opzienbarende conclusie dat "de grote ophopingen van aardlagen boven de Perm afzettingen kunnen zijn afgezet, niet in de miljoenen jaren die alle voorgaande geologen daarvoor uittrokken, maar misschien binnen enkele duizenden jaren. De plotselinge vernietiging van het plantenleven is daar verantwoordelijk voor" (Ward, P.D., 2004, Gorgon, p.119, Penguin Books). Concreet stelt Ward dus, dat de aardlagen van het Trias, Jura en Krijt (in de Karroo) in slechts enkele duizenden jaren kunnen zijn gevormd.

Wat Ward te vertellen heeft is echter niet het hele verhaal van wat er aan het eind van het Paleozoïcum op aarde aan de hand was. Ward heeft het alleen over wat er op land gebeurde; in de oceanen speelden zich toen nog opzienbarender processen af.

Tijdens het Paleozoïcum werden de oceaanbodems gerecycled (zie hoofdstuk 10). Daarbij brak het inwendige van de aarde open. Door de op hol geslagen afzinking van oceaanbodems tot op de grens van de aardkern werd de aardmantel in zekere zin binnenste buiten gekeerd (figuur 21.2). Dit resulteerde in ontgassing van de aarde. Als gevolg hiervan hoopte in het Mesozoïcum een cocktail aan scheikundige stoffen en vulkanisch materiaal zich op de nieuw gevormde oceaanbodems op in de vorm van zouten, kalken en lava's.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 21.2. In het Paleozoïcum zijn de oceaanbodems door 'runaway subduction' diep in de aardmantel verdwenen. Dat resulteerde in ontgassing van de aarde: geweldige hoeveelheden hitte, gas, magma en superkritische pekels stegen op en bereikten via de asthenosfeer de oceaanbodems.

 

De jonge, nieuw gevormde oceaanbodems waren in het Mesozoïcum nog zeer dun, heet, plastisch, kwetsbaar en instabiel. Onderwatervulkanisme, in de vorm van erupties van 7000 actieve vulkanen, plus het uitstromen van geweldige hoeveelheden lava op de bodem van de Stille en Atlantische Oceaan (figuur 21.3) waren toen aan de orde van dag. Deze dynamiek wordt door een geoloog alsvolgt verwoord: 'Man muss sich ein Meer vorstellen, dessen Boden sich stelleweise hebt und senkt. Schwellen entstehen und verschwinden wieder. Untermeerische Vulkane erwachsen und erlöschen' (Koenig, M.A., 1967, Kleine Geologie der Schweiz, p.27, Ott Verlag, Thun).

De gevolgen van deze onberekenbare pulsen van opwellend, uitstromend lava in de toenmalige oceanen en plotselinge zeebodemstijgingen zijn dramatisch geweest. Geweldige vloedgolven deponeerden de massa's zouten en kalken op de randen van de continenten.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

 

Figuur 21.3. De LIP (Large Igneous Provinces) gebieden op de bodem van de wereldzeeën zijn gevormd in het Mesozoïcum en Tertiair. Deze grootschalige vulkanische plateaus zijn het gevolg van het feit, dat na afloop van het Paleozoïcum er geweldige hoeveelheden gassen, superkritische vloeistoffen en magma's uit de diepten van de aarde het aardoppervlakte hebben bereikt. 

 

Deze dynamiek van de oceanen werd nog versterkt doordat het zeewater boven de nieuw gevormde oceaanbodems een omgekeerde thermische structuur kende. De bodemlagen waren warmer dan het oppervlakte water. Door deze instabiele opbouw ontwikkelden zich machtige contourite drifts - krachtige, stijgende zeestromingen die de chemische afzettingen vanuit de diepzee in een dikke stapel homogene zouten en kalken op de laaglandgebieden van de continenten deponeerden (figuur 21.4). Door het pulserende karakter van de vloedgolven en zeestromingen kenmerken deze sedimenten zich door een opvallende gelaagde structuur.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 21.4. Als gevolg van het grootschalig onderwatervulkanisme en de daardoor opgewekte vloedgolven en contourite drifts werden de laaglandgebieden op de continenten onder water gezet. Deze inundatie wordt in de figuur uitgebeeld door een stijging van de paleozeespiegelcurve in het Mesozoïcum tot zo'n 200 meter boven het huidige zeenieveau.

 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

 

Figuur 21.5. Paleogeografische reconstructie van de ligging van de continenten en de land-zee verdeling in het Mesozoïcum. De Tethys oceaan ligt tussen Afrika en EuroAzië. Vanuit de diepten van de aarde sloegen geweldige hoeveelheden scheikundige stoffen, vooral zouten en kalken, op de bodem van de Tethys oceaan neer. Deze chemische afzettingen werden door vloedgolven en door krachtige, opwellende zeestromingen op de omringende laaglandgebieden gedeponeerd.

 

De extreme dynamiek van met chemische stoffen verzadigd, stijgend en continentranden overspoelend oceaanwater verklaart, waarom de aardlagen van het Mesozoïcum voornamelijk bestaan uit chemische sedimenten, zoals kalken, zouten en vuursteen, die de randen van de landmassa's bedekken, terwijl in het Tertiair de aardlagen hoofdzakelijk bestaan uit klastische sedimenten: klei, zand en grind (figuur 21.6) (Stow, D., 2010, Vanished Ocean. How Tethys reshaped the world, p. 205-207, p. 238, Oxford University Press).

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 21.6. De Bletterbach kloof op de Zuid Alpiene micro-plaat (Dolomieten) geeft een goed beeld van de zouten en kalken die in het Trias vanuit de Tethys oceaan op de rand van het Europese continent zijn gedeponeerd. 

 

De aardlagen van het Trias, Jura, Krijt op de kusten van de Tethys oceaan zijn dus onder nog buitengewonere, nog extremere 'high energy' omstandigheden afgezet dan Peter Ward noemde. Daarom is het mogelijk, dat deze enorme hoeveelheden chemische afzettingen op de randen van de landmassa's zich sneller hebben opgehoopt dan Ward inschatte: niet in duizenden jaren, maar binnen enkele honderden tot hooguit duizend jaren.

In hoofdstuk 18 werd deze inschatting ook gemaakt. Toen ging het om 'soft sediment deformation': de extreme plooiing van mariene sedimenten van het Jura t/m het Tertiair (figuur 21.7). Uit dit overal in de Alpen voorkomend geomorfologisch verschijnsel werd de conclusie getrokken dat deze aardlagen "in relatief kort tijdsbestek (van mogelijk enige honderden jaren) zich ophoopten en vlak daarna op zeer gewelddadige manier verticaal zijn gesteld".

De tijdsduur van het omhoog komen van de Alpen in de afgelopen 50 miljoen jaar werd in hoofdstuk 18 ook ter discussie gesteld. Immers de aardlagen in Wallis stijgen nu 1,7 mm per jaar. Wanneer je actualistisch 50 miljoen jaar terugrekent zouden deze gesteenten van een diepte van tenminste 85 km afkomstig zijn. O.a. de grootschalige aanwezigheid van niet-metamorfe kalk, zout, anhydriet afzettingen in de gesteenten van de Wallisser Alpen (en de Vooralpen) sluit dit scenario uit.

Binnen een impact context (zie hoofdstuk 5) is de Alpiene gebergtevorming een geologische instant gebeurtenis geweest, waarbij explosieve magmagolven stukken van de continentale bovenkorst in 'no time' omhoog en over de Europese continentrand hebben gestuwd. De huidige stijging van de Alpen is slechts een sterk gedempt naijleffect van dit drama.

In hoofdstuk 13 kwam de afbraak van delen van de Alpen in het Tertiair aan de orde. Die heeft zich in een zelfde razend tempo voltrokken als waarin de Alpen uit de Tethys omhoog zijn gekomen. De opvulling van het Voorlandbekken met dikke grindtappijten (molasse), die van deze 'high energy' afbraak getuigen, heeft daarom ook hooguit enkele honderden jaren geduurd.

In hoofdstuk 20 ging het over de ijsdikte aan de polen, over de hoeveelheid erosiepuin in de glaciale bekkens in de Alpen en over de patroonovereenkomst tussen glaciale klimaatsgrafieken en de jaarringengrafiek van de 'bristle cone pines' in Californië. Al deze gegevens wijzen er op, dat ook de ijstijd, waarin de Alpen zijn definitieve vorm kreeg, zich in een relatief kort tijdsbestek van enkele honderden jaren in het recente verleden heeft voltrokken.

Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat de vorming van de aardlagen van het Mesozoicum en Kanozoicum waaruit de Alpen zijn opgebouwd, als ook de Alpiene gebergtevorming zelf, niet in 'deep time' (miljoenen jaren geleden) maar veel recenter heeft plaatsgevonden, mogelijk ten tijde van de oudste volkeren op aarde.

 

P Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 21.7. 'Soft sediment deformation' -  hier in de vorm van drie boven elkaar gelegen S plooien in Jura lagen van de Feldenrothorn - kom je overal in de Alpen tegen. Deze extreme vervorming van 150 miljoen jaar oud veronderstelde aardlagen is onwaarschijnlijk. In dit enorme tijdsbestek zouden deze sedimenten al zijn versteend ruim voordat de Alpiene plooiing plaatsvond. Het scenario dat deze aardlagen binnen enkele honderden jaren zijn geaccumuleerd en daarna, in nog zachte toestand, zijn verfrommeld tot een vertikale drievoudige S plooi is veel waarschijnlijker.

 

Maar de atoomdateringen dan? In het Mesozoïcum en Kanozoïcum hebben zich lava-uitvloeiingen op de oceaanbodems voorgedaan. Plus granietintrusies in de continentale korst. Via uiteenlopende radiometrische dateringsmethoden wordt de ouderdom van deze stollingsgesteenten bepaald. Dat resulteert steevast in modelleeftijden van miljoenen jaren. Op grond van welke overwegingen kan worden beweerd dat deze 'high tech' dateringen ongeldig zijn? Twee cruciale inzichten zijn hier beslissend.

Allereerst: wanneer van lavastromen van recente vulkanen (b.v. die van Mount St Helens uit 1980) de atoomleeftijd wordt bepaald komt daar altijd een datering uit van miljoenen tot honderden miljoenen jaren. Geochronologen betogen, dat deze modelleeftijden de chemische samenstelling van het brongebied in de mantel, waaruit de lava's afkomstig zijn, weerspiegelen. D.w.z. de lavastromen 'erven' de isotopen samenstelling van magma in de aardmantel of in sommige gevallen van een mix van magma's.

Wanneer dit zo is, kan met evenveel recht worden gesteld, dat deze situatie ook van toepassing is op de radiometrische dateringen van oude stollingsgesteenten van het Mesozoïcum en Kanozoïcum. Daarom geven de isotoop verhoudingen van oude lava's en granieten, net zo min als die van moderne lava's, een geldig beeld van de ouderdom van deze gesteenten.

Daar komt nog een belangrijk argument bij. Bekend is, dat alle radiometrische dateringsystemen in de praktijk geen gesloten systemen zijn, maar, zeker over een langer tijdsbestek, zo lek zijn als een mandje. Zelfs van het zirkoon mineraal, waarvan de radiometrische datering als zeer betrouwbaar wordt beschouwd, geldt, dat´zircon grains are readily infiltrated by fluids´(Geology vol.39, no.12,december 2011, p.1144). Hetgeen betekent, dat vanuit de omgeving met het grootste gemak moeder-isotopen en dochter-isotopen aan mineralen kunnen worden toegevoegd of juist verwijderd (Snelling, A., 2009, Earth's Catastrophic Past, hfst 99 t/m 104, Institute of Creation Research, Texas).

In de wereld na afloop van het Paleozoïcum interacteerden de isotopenstystemen intensief met hun uiterst dynamische omgeving. Uit de binnenste buiten gekeerde, ontgassende aarde bereikten immers in het Mesozoïcum geweldige hoeveelheden hitte, gassen en superkritische vloeistoffen, vanuit het inwendige van de aarde via spleten en scheuren in de aardkorst, het aardoppervlak. Alle radiometrische klokken in de gesteenten zijn in die tijd door de opwelling van deze superhete gassen en superkritische vloeistoffen verstoord en verzet, d.w.z aan het atoomuurwerk zijn moeder-isotopen of dochter-isotopen toegevoegd of er juist uit verwijderd. Daardoor meten de isotoopverhoudingen niet wat ze verondersteld worden te meten: de omzettingstijd van een radioctieve moeder-isotoop in een stabiel dochter-isotoop (figuur 21.8). 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 21.8. Radiometrische datering van 32 zirkoon kristallen in een vulkanisch gesteente. De getallen geven de berekende modelleeftijden weer van elk kristal d.m.v. drie verschillende uranium-lood dateringsmethoden. Merk op hoe groot de variatie in dateringen is, zowel binnen als tussen de zircons. Geochronologen veronderstellen, dat de zircons met A, B en C de juiste ouderdom van het vulkanisch gesteente aangeven. De overige dateringen (meer dan 90 procent!!) worden als ongeldig (= onzin) beschouwd. Discordante (= ongelijke) dateringen binnen een kristal zouden wijzen op invloeden van buitenaf, terwijl te 'jonge' of te 'oude' concordante (= binnen een kristal gelijke) dateringen worden toegeschreven aan het effect van de isotopensamenstelling van het oorsponkelijke magma uit de mantel. Uiteraard kan niet worden uitgesloten dat de geaccepteerde modelleeftijden van A, B en C van buitenaf zijn beïnvloed of zijn 'geërfd' van de magmabron(nen) waaruit het vulkanisch gesteente afkomstig is. Dus dat het ook 'onzin' dateringen zijn. Daarmee is de keuze van de juiste datering niet alleen subjectief en arbitrair, maar uiteindelijk ook gebaseerd op een 'geloof' (dat de gekozen datering niet door de chemische samenstelling van het bronmateriaal en niet door invloeden van buitenaf zijn bepaald).

 

M.b.t. de radiometrische dateringen is de slotsom, dat de unieke en extreme geofysische situatie vanaf het eind van het Paleozoicum deze modelleeftijden ongeschikt maakt om de ouderdom van stollingsgesteente te meten. Want door de hitte, gassen en vloeistoffen die in het Mesozoïcum en Kanozoïcum uit de diepten van de aarde zijn vrijgekomen raakten alle radiometrische systemen ontregeld.

Dat brengt ons tot de conclusie van dit hoofdstuk. Daarin valt de focus op de belangrijkste kenmerken van het afzettingsmilieu gedurende het Mesozoïcum in de Tethys oceaan. Het gaat dan om verschijnselen als een ontgassende aarde, superdynamische oceanen en 'contourite drifts'. Deze volstrekt uitzonderlijke, niet-actualistische omstandigheden betekenen, dat de atoomklokken vanaf het Paleozoicum zijn verzet. Dat maakt de radiometrische dateringen ongeldig als tijdsaanduiders. Bovendien valt uit dit unieke 'high energy' afzettingsmilieu af te leiden, dat de aardlagen van het Trias, Jura en Krijt, die op de kustgebieden van de Tethys oceaan zijn afgezet (en waaruit in het Tertiair de Alpiene plooiingsgebergten zijn ontstaan), zich niet in 160 miljoen jaar hebben opgehoopt, zoals de standaard geologische tijdschaal dit aangeeft, maar waarschijnlijk in minder dan 1000 jaar. Deze conclusie impliceert, dat het ontstaan van de Alpen niet tussen 65 en 5 miljoen jaar geleden plaatsvond, maar tijdens een relatief recente wereldramp die zich heeft afgespeeld in het tijdperk en de herinnering van de oudste generaties mensen op aarde. In de woorden van Immanuel Velikovsky:

'Het hele idee van een zestig miljoen jaren durend Tertiair, waarin bergen werden opgetild, gevolgd door een miljoen jaren durende ijstijd...tenslotte gevolgd door dertigduizend jaar rust in de nieuwe tijd, met beëindigde bergvorming en stabiliteit van het klimaat, is fundamenteel fout....De bergketens in China en Tibet, de Andes, de Alpen , de Rocky Mountains en de Kaukasus rezen tot hun tegenwoordige hoogten omhoog in de late steentijd en zelfs in de bronstijd.......´(I. Velikovsky, Aarde in Beroering, 1974, Deventer,  p.217, 223-224).