2. Verklaring van de Alpen door de gevestigde wetenschap


Onderstaande kaartjes geven een idee hoe de gevestigde wetenschap het ontstaan van de Alpen verklaart.

Italië en de Dinarische Alpen (gelegen in Servië, Kroatië en Bosnië-Herzegowina) zouden samen een stuk vooruitgeschoven korst van het Afrikaanse continent zijn geweest, Adria genoemd. Dit micro-continent is tegen Europa gebotst, waardoor de Alpen omhoog kwamen.

Klik op de afbeelding om te vergroten.


 

Figuur 2.1. Vereenvoudigde voorstelling van het ontstaan van de Alpen volgens de gevestigde wetenschap. Adria, bestaande uit Italië (i), de Adriatische Zee (a), Servië, Kroatië, Bosnië-Herzegowina (s), Albanië en Griekenland (g), zou een uitsteeksel van de Afrikaanse continentale korst zijn geweest. Vanaf het Krijt verplaatst Afrika zich naar het noorden, waardoor in het Tertiair Adria zich in het Europese continent boort. Door deze botsing komen de Alpen omhoog.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 2.2. Alle boeken die de laatste jaren over de geologie van de Alpen zijn gepubliceerd hanteren hetzelfde model ter verklaring van het omhoog komen van de Alpen: een vooruitgeschoven stuk van het Afrikaanse continent (Adria) heeft zich in Europa geboord. Treffend komt deze zienswijze tot uitdrukking in de titel van het boek van de geoloog Michel Marthaler. De beroemde Zwitserse berg de Matterhorn zou een fragment van de Afrikaanse continetale plaat zijn, dat op de Europese continentrand terecht is gekomen.

 

 

Figuur 2.3. Voorstelling, uit een publicatie van een aantal geologen in een Zwitsers geologisch vakblad, hoe de Alpen zijn ontstaan. Een stuk van het Afrikaanse continent (hier aangeduid als Adriatic intender, waarop Italië, de Adriatische Zee en het Dinarisch Blok liggen) is vanaf het Krijt naar het noorden verplaatst. In het Tertiair boort dit uitsteeksel van de Afrikaanse plaat zich, tussen G (Genève) en V (Venetië), in het Europese continent (S.M Smith e.a., 2008, The Alpine-Carpathian-Dinaridic Orogenic system: correlations and evolution of tectonic units, Swiss Journal of Geoscience 101, pp.139-183).

 

Uitgangspunt van het gevestigd verklaringsmodel voor het ontstaan van de Alpen is de theorie van de platentektoniek.
Hieronder wordt deze theorie globaal uitgelegd.
 

De theorie van de platentektoniek ontketende in de jaren 60 van de vorige eeuw een ware revolutie binnen de aardwetenschappen. Voor die tijd overheerste de opvatting, dat de continenten een stabiele, onveranderlijke ligging ten opzichte van elkaar hebben. Vanaf de jaren 60 werd de meer dynamische theorie van de platentektoniek door de geologische gemeenschap algemeen aanvaard. Deze theorie stelt, dat de aardkorst is opgebouwd uit 7 erg grote (> 20 miljoen km2) plus zo’n 10 kleinere aardplaten (1-20 miljoen km2) en 59 microplaten (< 1 miljoen km2), die ten opzichte van elkaar bewegen, d.w.z. uit elkaar drijven of juist tegen elkaar botsen. Hierbij zou het gaan om snelheden van 1 tot hooguit 70 millimeter per jaar. Deze trage drift van de aardplaten wordt als volgt voorgesteld. De aardplaten hebben een zeer rigide, dikke opbouw. Ze bestaan uit drie lagen: een boven korst (bestaande uit het relatief lichte graniet) en een onder korst met daaronder de buiten mantel. Deze drie lagen vormen samen de lithosfeer. Die is zo’n 60 tot 100 kilometer dik en bestaat uit vaste gesteenten, waarbij men aanneemt dat de diepere lagen (onder korst en buiten mantel) uit zwaardere materialen (basalt, gabbro, periodiet, eclogiet) zijn opgebouwd. Onder deze massieve, logge aardlagen zit de asthenosfeer. Die is 100 tot 200 kilometer dik en bestaat uit zachter, bijna vloeibaar gesteente. Nog dieper in de mantel, in de mesosfeer, zou zich dan de uiteindelijke motor van de platentektoniek bevinden. Die bestaat uit convectiestromen van traag circulerend, stopverfachtig gesteente. Op de rug van deze gesteentestromen zou het zachte gesteente in de asthenosfeer en de lithosfeer daarboven jaarlijks millimeter voor millimeter worden verplaatst (F.Buenk, Wat drijft plaattektoniek?, Grondboor en Hamer, 2017, jaargang 71 nummer 1, pp.2-11).
 
 
 
 
Figuur 2.4. Schematisch beeld van de opbouw van de aarde

Dat bovenstaande kaartjes over het ontstaan van de Alpen in figuur 2.1. en figuur 2.3 gebaseerd zijn op de theorie van de platentektoniek blijkt hieruit, dat Adria wordt gezien als een onderdeel van de grote, logge Afrikaanse plaat. Wanneer dit massieve Afrikaanse continent langzaam naar het noorden schuift, boort Adria zich, als een soort geologische stormram, in het Europese vaste land, waardoor de Alpen omhoog komen.

Dit simpele model heeft als grote nadeel, dat het niet het complexe geheel van gebergten rond het Middellandse Zee gebied verklaart dat in het onderstaande kaartje gestyleerd wordt weergegeven.

 

 

Figuur 2.5. Gestyleerd overzicht van de gebergten in het Middellandse zeegebied.

1 = gebergten aan rand van continentale korst; 2 = gebergten binnen continentale korst; 3 = slenken, zoals de Rhone en de Rijnslenk.


Ook de ingewikkelde bewegingen van aardplaten in het Middellandse Zee gebied worden niet door de gevestigde theorie over het ontstaan van de Alpen begrepen. Zoals onderstaande figuur laat zien, verplaatsen de verschillende micro-platen waaruit de aardkorst van het Middellandse zeegebied is opgebouwd, zich - als botsautotjes - op een chaotische manier in allerlei richtingen.

 

 

Figuur 2.6. Bewegingsrichting van de verschillende micro-platen in het Middellandse zeegebied.

 

In het volgende hoofdstuk worden nog een paar argumenten besproken, waarom de verklaring van het ontstaan van de Alpen door de gevestigde wetenschap niet de juiste kan zijn.