16. Verklaring van de geologie van de Alpen: het Zuid Alpien en Oost Alpien


Dit hoofdstuk zoemt in op de wordingsgeschiedenis van het Oost Alpien en het Zuid Alpien. De eerstgenoemde tektonische eenheid vormt de bovenste etage van het Alpen gebouw, terwijl het Zuid Alpien als een soort bijgebouw kan worden gezien, dat tegen het hoofdgebouw van de Alpen is aangezet.

 

Figuur 16.1. toont de ligging van het Oost Alpien en het Zuid Alpien binnen de Alpen.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.1. Het Oost Alpien wordt aangegeven door de lichtblauw en donkerblauw gekleurde rechthoek rechtsboven. Het lichtblauwe gebied wordt de Noordelijke Kalkalpen genoemd. Dat is opgebouwd uit mariene sedimenten (voornamelijk kalken) van het Mesozoïcum. Het donkerblauwe oppervlak vormt de continentale ondergrond van het Oost Alpien. Dat bestaat uit gneis en graniet met daartussen Paleozoïsche sedimenten. De Noordelijke Kalkalpen zijn van deze sokkel afkomstig en door 'gravity gliding' naar het noorden getransporteerd. In de figuur komt duidelijk uit, dat het Oost Alpien over het daaronder liggende paars gekleurde Penninikum is geschoven. Deze eenheid omvat gesteenten die afkomstig zijn van de Wallis trog, de Briancon hoogte en het Piedmont bekken. Bij de twee paarse vlekken binnen het Oost Alpien, het Tauern venster en het Engadin venster, gaat het om opgestuwde stukken van respectievelijk de Europese continentrand en het Penninikum die door de bovenliggende micro-plaat van het Oost Alpien zijn gebroken (O.A. Pfiffner, 2010, Geologie der Alpen, p.47). Dit laat zien, dat de korst van het Oost Alpien slechts enkele kilometers dik is. Het bruin gekleurde oppervlak stelt het Zuid Alpien voor. Deze eenheid is tegen de zuidzijde van het Oost Alpien geduwd. Ongeveer in het midden van het Zuid Alpien is deze micro-plaat gebroken, waarna het oostelijk deel 70 km noordoostwaarts is gekanteld. Daarbij werd het Oost Alpien in de noord zuid richting in elkaar gedrukt en in de oost west richting uit elkaar getrokken. Het naar het zuidoosten wegdraaien van het Dinarisch blok - de donkergroene strook rechtsonder in de figuur - is de oorzaak van deze tektonische ontwikkelingen geweest. De zwarte pijlen geven de verplaatsing van het Dinarisch Blok en van stukken van de Zuid Alpiene korst langs breuklijnen (rood) aan.

 

Figuur 16.2. maakt de oorspronkelijke ligging van het Oost Alpien, het Dinarisch Blok en het Zuid Alpien gedurende de Jura en Krijt perioden zichtbaar.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.2. Gedurende het Jura en Krijt vormen het Oost Alpien, het Dinarisch Blok en het Zuid Alpien een aaneengesloten strook continentale korst, dat aan het eind van het Trias van de zuidrand van het vaste Europese continent is 'afgesprongen'. Deze situatie valt te vergelijken met het huidige Baja Carlifonia, de landengte die losgeraakt is van de Noord Amerikaanse continentale plaat. De paarse strook stelt de Briancon hoogte voor. Links, westelijk daarvan, ligt de Wallis trog; rechts, oostelijk van het Briancon, is het domein van het Piedmont bekken.

De Wallistrog, de Briancon hoogte en het Piedmond bekken vormen samen het Penninikum.

 

In hoofdstuk 6 is betoogd, dat aan het eind van het Krijt, als gevolg van een 'multiple impact event', de drie micro-platen - Oost Alpien, Zuid Alpien en het Dinarisch blok - samen met de Italiaanse micro-plaat, door magmagolven, als kruiend ijs, tegen en over de Europese continentrand worden geduwd. De volgende twee figuren brengen het verloop van dit proces plus het eindresultaat ervan in beeld.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.3. In het Tertiair wordt het 'treintje' van micro-platen - Italië, Zuid Alpien, Dinarisch Blok, Oost Alpien - door magmagolven op de zuidrand van het Europese continent geduwd. Daardoor is de configuratie van micro-platen ontstaan die wij nu in de Alpen tegenkomen.

 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.4. In het mozaiëk van tektonische eenheden, dat het resultaat is van  de Alpiene gebergtevorming, vormen het Oost Alpien (rood) en het Zuid Alpien (oranje) de middelste eenheden. Aan de noordkant ervan ligt het Penninikum (paars) en het Molasse bekken (geel), aan de zuidkant bevinden zich het Dinarisch Blok (blauw) en Italië (groen).

 

De volgende figuren laten zien, dat het Oost Alpien eerst over het Penninikum is geschoven. Daarna wordt deze dekbladstapel (het Penninikum met daarboven het Oost Alpien) over de vaste Europese continentrand geduwd. Vervolgens komen uit de Europese continentrand de autochtone massieven omhoog. Door dit oprijzen wordt het Oost Alpien aan de zuidzijde opgestuwd en scheefgesteld. Daardoor glijden de sedimentpakketten van de Oost Alpiene micro-plaat door 'gravity sliding' naar het noorden, waar ze de Noordelijke Kalkalpen opbouwen.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.5. Driedimensionale voorstelling die de tektonische ontwikkeling visualiseert van het Oost Alpien tijdens de Alpiene gebergtevorming. Het gaat hier om het oostelijk deel van het Oost Alpien dat geheel Oostenrijk en het oosten van Zwitserland bedekt. Door stromingen van magma, gassen en superkritische pekels in de Conraddiscontinuiteitszone onder de continentale bovenkorst schuift het Zuid Alpien (helemaal rechts) de Oost Alpiene micro-plaat (de bruine lob links van de Periadriatische breuklijn) eerst over het Penninikum (groene strook, waarbij het licht groen kleien en flysch en de donker groen basaltische zeebodems uit het Piedmond bekken voorstellen) waarna deze dekbladstapel (Oost Alpien+ Penninikum) op de Europese continentrand wordt gestuwd. Vervolgens komen brokstukken van de vaste Europese continentrand in de vorm van het Tauern massief (Tauernkristallisation) omhoog. Dit resulteert in een welving van het bovenliggende Oost Alpien. Daardoor komt de sedimentbedekking van deze micro-plaat in een glijbeweging naar het noorden terecht. De Noordelijke Kalkalpen, hier afgebeeld als twee over elkaar geschoven dekbladen (twee blauwe lobben) van Mesozoïsche sedimenten en de Grauwacken Zone (grijze strook), bestaande uit Paleozoïsche afzettingen, zijn het resultaat van deze afschuivingsprocessen. 

 

De volgende doorsneden geven een schematisch beeld van de ontstaansgeschiedenis van het Tauern massief en het Oost Alpien.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.5a. De twee doorsneden brengen schematisch de ontstaansgeschiedenis van het dekbladenpakket van het Oost Alpien en het Tauern massief in beeld. Eerst schuift de Oost Alpiene microplaat over de sedimenten van het Piedmont bekken; daarna wordt deze dekbladstapel op de Europese continentrand gestuwd. Vervolgens wordt de bovenkorst van de Europese continentrand door het oprukkende Zuid Alpien in elkaar gedrukt. Als gevolg daarvan komt het Tauern massief (A, B en C) omhoog. De sedimentbedekking van het Oost Alpien glijdt in de vorm van een serie dekbladen van het Tauernmassief af en komt daar, dakpansgewijs getapeld, noordelijk van te liggen; stukken van de Oost Alpiene continentale bovenkorst schuiven aan de zuidkant van het Tauern massief af en raken ingeklemd tussen het Zuid Alpien en de opgestuwde Europese continentale bovenkorst.

 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.6. Dit blokdiagram brengt de tektonische ontwikkeling van het westelijk deel van het Oost Alpien, dat in het midden van Zwitserland ligt, schematisch in beeld. Het Oost Alpien ligt rechtsboven en wordt met 1 aangeduid; 2 ligt aan de voorkant van de figuur (met daarin A', B' en C'). Dit gedeelte geeft het Zuid Alpien aan, dat tegen het Oost Alpien is gedrukt. In de contactzone is de zuidzijde van het Oost Alpien opgeheven, steilgesteld en daarna naar achteren omgeklapt ('Rückfaltung'). In dit gebied is het gesteente van het Oost Alpien door de grote druk gemetamorfoseerd. Eenheid 3 stelt de overblijfselen (leisteen sedimenten en geserpenitiseerde basaltbodems) van het Piedmond bekken voor, terwijl 4 de restanten (vooral continentale bovenkorst van gneis en graniet met hier en daar wat Mesozoïsche sedimenten) van de Briancon hoogte weergeeft. Bij eenheid 5 gaat het om sedimenten (flysch en leisteen) en continentale bovenkorst van de dichtgeknepen Wallistrog. Tenslotte brengt 7 de omhoog gekomen autochtone massieven (Mont Blanc, Gotthard, Aare) plus hun afgeschoven sedimentsbedekking (6) in beeld. Door het geweld van het omhoog komen van deze fragmenten van de Europse vaste continentrand is het westelijk deel van de bovenliggende Oost Alpiene micro-plaat gebroken en grotendeels uit elkaar gevallen. Het Dent Blanche/Matterhorn dekblad, in het midden van de figuur, en de steilstaande Sessia zone ten zuiden ervan zijn overblijfsels van dit uiteengevallen westelijk deel van het Oost Alpien. De puinresten van deze gedesintegreerde staart van het Oost Alpien hebben zich in het Voorlandbekken als molasse opgehoopt (de gele zone boven in de figuur). In het oostelijk deel van het Oost Alpien was de opheffing minder explosief. Slechts op twee plaatsen doorboorde de opgestuwde korst van de Wallis trog en de Europese continentrand het bovenliggende Oost Alpien: zo ontstond het Engadin venster en oostelijk daarvan het Tauern venster (niet zichtbaar in de figuur). Wel gleed door de opheffing de Mesozoïsche sedimentbedekking van het Oost Alpien af en hoopte zich aan de noordkant van deze plaat, in de vorm van de Noordelijke Kalkalpen, op.

 

 

 

  Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.7. In de bovenste doorsnede stelt de gele band het Oost Alpien voor. Deze eenheid is relatief dun, d.w.z. het mist z'n continentale onderkorst; die is gedelamineerd en in de asthenosfeer weggezakt (zie figuur 16.9). Het Oost Alpien is aan de zuidkant opgeheven, steilsgesteld en teruggevouwen. Opstuwing van de autochtonen massieven aan de zuidrand van het Europese continent - hier de licht blauwe zone - is daar de oorzaak van geweest. De rode ballon in het dak van het Oost Alpien geeft aan, dat opwellend magma bij deze opstuwing een grote rol heeft gespeeld. 

In de onderste doorsnede stellen de groene pijlen opwellende gassen, water en magma vanuit de asthenosfeer voor. De blauwe zone geeft de omzetting aan van periodiet in eclogiet in de continentale onderkorst, o.i.v. opstijgend superkritisch water. Als gevolg van deze transformatie delamineert de continentale onderkorst, waardoor het opwellend magma tussen de continentale onderkorst en continentale bovenkorst dringt.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.8. Een noord zuid doorsnede met het seismisch profiel van de aardkorst onder de Alpen. Links, in het zuiden, ligt het Zuid Alpien, rechts, in het noorden, het Boheems massief. De seismische waarden hebben onder het Zuid Alpien een horizontaal verloop, maar stijgen onder het Oost Alpien. Dit patroon geeft aan, dat er onder het Oost Alpien magma en superkritische vloeistoffen via een netwerk van 'surge channels' door de korst omhoog zijn gekomen. Deze stuwing heeft de gedelamineerde continentale bovenkorst van het Oost Alpien over het Penninikum geschoven en vervolgens de autochtone massieven opgetilt. De groene lob met lage seismische waarden in de continentale korst tussen 10 km en 4 km rechts van het midden bestaat uit een stuk van de vaste Europese continentrand dat door het noordwaarts oprukkende Oost Alpien is 'overreden' en naar beneden is gedrukt.

 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.9. Noord zuid dwarsdoorsnede van de aardkorst onder de Alpen. Op een diepte van 100 tot 200 km bevindt zich de gedelamineerde continentale onderkorst van het Oost Alpien, de Briancon hoogte en het Zuid Alpien die in de asthenosfeer is weggezakt. Wat betekent, dat deze micro-platen bestaan uit continentale bovenkorst die slechts enkele kilometers dik is.

 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.10. Dwarsdoorsnede door het Oost Alpien ten westen van Salzburg. Links van de Pustertal storing (een segment van de Insubrische linie die de scheidslijn vormt tussen het Oost Alpien en het Zuid Alpien) is de continentale korst van het Oost Alpien door de opgestuwde Europese continentrand (het Tauern Massief) omhoog gedrukt. Links van het Tauern Massief liggen sedimenten die door´gravity sliding' van de Oost Alpiene sokkel zijn gegleden. De Mesozoïsche sedimenten zijn het verst naar het noorden getransporteerd. Het gaat dan om twee schubben van het Lechtal dekblad die grotendeels uit Trias sedimenten bestaan (oranje = onder Trias; geel= midden Trias, Hauptdolomiet; blauw = boven Trias t/m Krijt). Ten zuiden daarvan ligt het Inntal dekblad dat uit Paleozoïsche sedimenten is opgebouwd (zwart = grauwacken, een soort modderlawine afzetting; grijs = kwarts filliet, gemetamorfoseerde kleisteen).

Rechts, ten zuiden van de Pustertal storing ligt het Zuid Alpien.

De violette band (Schiefferhülle) bestaat uit flysch en leisteen (gemetamorfoseerde klei) met daarin stukken metamorfe zeebodem (geserpenitiseerde basalt) uit het Piedmont bekken. Dit materiaal heeft (samen met het zout, gips en anhydriet van het onder Trias) als smeermiddel en glijhorizont bij het dekkentransport gefunctioneerd.

 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.11. Geologische doorsnede van het Noordelijke Kalkalpen ten oosten van Salzburg. De ondergrond bestaat uit flysch (gebroken wit, linksonder) en leisteen (violet, rechtsonder) uit het Piedmont bekken. Daarboven liggen de sedimenten die van de opgeheven Oost Alpiene continentale korst naar het noorden zijn gegleden. Vooraan, links, zien we drie dekbladen die voornamelijk uit Trias afzettingen bestaan: het Bajuvarikum, Tirolikum, Juvavikum. Paars en blauw stellen Jura lagen voor; groen Krijt formaties. Deze Mesozoïsche sedimenten zijn verder naar het noorden (links) gegleden dan de Paleozoïsche afzettingen. Die liggen rechts (grijs = grauwacken; leverkleur = kwartsfilliet).

 

Ten zuiden van het Oost Alpien ligt het Zuid Alpien. Deze tektonische eenheid is niet gemetamorfoseerd.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

 

Figuur 16.12. De zwarte lijnen geven het systeem van breuklijnen aan dat de Insubrische linie wordt genoemd. Deze breuken vormen in het noorden de grens tussen het Oost Alpien en het Zuid Alpien en markeren in het noordwesten de grens tussen het Penninikum en het Zuid Alpien. De verschillende eenheden in de legenda geven gebieden aan waar een bepaald type metamorfose zich voordoet, d.w.z. een verandering van het gesteente door druk en hitte.

We constateren:

a. In het Zuid Alpien komt geen metamorfose voor.

b. Ten westen van Torino, aan de westgrens van het Zuid Alpien, ligt in het Penninikum een zone met blauwe leisteen. Dit type metamorfose ontstaat door zeer grote druk die op het gesteente is uitgeoefend. In dit gebied hebben het Dinarisch blok en het Zuid Alpien met grote kracht de Briancon hoogte in de Europese continentrand gespietst (zie figuur 6.11).

c. Ten noorden van de Insubrische linie ligt in het Oost Alpien een zone met groene leisteen. Dit type metamorfose, die wijst op een combinatie van middelgrote druk en warmte (400 graden Celcius), is ontstaan toen het Oost Alpien door het wegdraaiend Dinarisch blok (zie figuur 16.3) over de Europese continentrand werd geduwd (zie figuur 16.5).

d. Op de hoekpunten van delen van de Zuid Alpiene micro-plaat (aangegeven met 1, 2, 3) komt amfiboliet voor (B.T. = Begin Tertiair; M.T. = Midden Tertiair). Dit type metamorf gesteente ontstaat onder nog grotere druk en warmte (600 graden Celcius) dan bij groene leisteen. Deze hogere graad van metamorfose hangt samen met het bij elkaar komen van een aantal breuklijnen, wat betekent dat op deze locaties nog grotere krachten en warmte afgifte (vanuit magmastromen onder de continentale bovenkorst) op het gesteente werden uitgeoefend.

 

De Dolomieten vormen het bekendste gebergte en het meest in het oog springende landschap van het Zuid Alpien. Ook is dit deel van deze micro-plaat geologisch van bijzondere betekenis, omdat het tijdens de Alpiene gebergtevorming fungeerde als draaischijf waarlangs het Dinarisch Blok naar het zuidoosten is gekanteld, zie figuur 16.3. 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.12.Het gebied waar de Dolomieten zich bevinden is het oostelijk deel van het Zuid Alpien. Dat is van het westelijk deel afgebroken en daarna naar het noordoosten gekanteld. Daarbij schoof de linker kant van dit afgebroken deel langs de Insubrische breuklijn (rood) 70 kilometer naar het noorden. Rechts van de Insubrische breuklijn komen nog meer noord-zuid lopende breuken voor (geel). Verder naar het oosten toe nemen de breuken de vorm aan van oost-west gerichte overschuivingen. De verklaring van dit breukenpatroon schuilt in het wegdraaien van het Dinarisch Blok naar het zuidoosten. Door deze beweging werd het gebied van de Dolomieten aan de linker, westelijke kant uitgerekt en aan de rechter, oostelijke kant in elkaar gedrukt en uit elkaar getrokken (zie figuur 16.1). De heftigheid van deze tektoniek blijkt hieruit, dat dit het enige gebied in de Alpen is, waar enorme hoeveelheden vulkanisch materiaal zijn uitgevloeid. Zo komen we langs de Insubrische/Pulstertal breuklijn, die de grens markeert waarlangs het Zuid Alpien tegen en langs het Oost Alpien schuift, op veel plaatsen uitgevloeid magma tegen dat, mede onder invloed van water, in graniet (roze) is veranderd. Daarnaast zijn grote gebieden bedekt met vulkanisch gesteenten uit het Tertiair. Dat zijn de gearceerde oppervlakten links onderaan in de figuur. De lichtblauw gekleurde gebieden bestaan uit vulkanische assen en tufgesteenten uit het Tertiair. Zowel de breuken als het vulkanisch materiaal getuigen ervan hoe deze microplaat in de mangel is genomen en vervormd door het wegdraaien van het Dinarisch Blok. 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

 

Figuur 16.13.  Blokdiagram met de ligging van de Dolomieten ten zuiden van het Oost Alpien. De laatste rijst ver boven de eerst genoemde tektonische eenheid uit. De Dolomieten zijn door een noordoostelijk gerichte draaibeweging tegen en langs het Oost Alpien gegleden. Daarbij kwamen uit de ondergrond magma´s omhoog, die nu in de botsingszone tussen beide micro platen granietplutonen (oppervlakten met + +) vormen. In tegenstelling tot de zuidrand van het Oost Alpien is het Zuid Alpien niet metamorf. Dat komt omdat de druk van het Dinarisch Blok tegen het Oost Alpien (zie figuur 16.3.) primair verantwoordelijk is voor deze metamorfose. Nadat het Dinarisch Blok was weggedraaid naar het zuidoosten schoof het Zuid Alpien relatief passief tegen en langs de reeds opgeheven, steilstaande en gemetamorfoseerde zuidrand van het Oost Alpien.

P-T  = Perm en Trias;  B = Bolzano; T = Tertiair vulkanisch gesteenten en tufsteen.

 

De volgende figuren geven de ontstaansgeschiedenis van de Dolomieten vanaf het Trias in 6 fasen weer.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.14. Deze oost-west doorsnede schetst de opbouw van het Zuid Alpien gedurende het Trias. Deze micro-plaat was onderdeel van de Zuid Europese continentrand. Vanuit de Tethys oceaan accumuleerde in het Onder Trias een laag gips, dolomiet en steenzout (de Werfener formatie, aangegeven met een 3) op de Paleozoïsche ondergrond, die uit fillieten bestaat - dat zijn gemetamorfoseerde kleilagen (laag 2). In het Midden en Boven Trias heeft zich op de Werfener formatie een dik pakket storm en getijdenafzettingen opgehoopt, aangegeven met 4, dat het Schlern dolomiet wordt genoemd. Het gaat hier om lagen kalk die door vloedgolven vanaf de bodem van de zeer dynamische, woelige Tethys op de Zuid Europese kusten zijn gedeponeerd. Dit geheel vormt een kalkplatform. Dat wordt soms aangeduid als een rif. Het fossielarme karakter van deze afzettingen en het ontbreken van een duidelijk rifskelet geven aan, dat deze typering onterecht is. Laag 1 stelt de continentale bovenkorst voor. (Zie: R.D. Stanton, E. Fugel, 1995, An accretionary distally steepened ramp at an intraplatform basin margin: an alternative explanation for the Upper Triassic Steinplatte 'reef' (Northern Calcareous Alps, Austria), Sedimentary Geology, 95, p.269-286).

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.15. In loop van het Trias zakt de oostkant van het Zuid Alpien onder z'n eigen gewicht dieper weg in het (afkoelende en daardoor inzakkende) bassin van de Tethys oceaan. Door deze kanteling glijdt het kalkplatform over de zachte, gladde Werfener formatie naar het oosten. Tijdens deze glijbeweging valt het kalkplatform in stukken uit elkaar, een proces dat 'raft tectonics' wordt genoemd. De sedimenten tussen de brokstukken van het uiteengevallen kalkplatform horen tot de Buchenstein formatie. Het gaat hier om fossielarme turbidieten, waarin veel vulkanische as voorkomt. Deze afzettingen horen niet thuis in een rifmilieu, wat extra aantoont dat het omringende Schlern dolomiet geef echte rif is.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.16. Ideaaltypische voorstelling van 'raft tectonics'. Door kanteling van de onderliggende korst (rood met ++) fungeert de daarop liggende scheefgestelde zout, gips, anhydrietlaag (roze) als glijbaan, waarlangs de toplaag van kalksteen gaat schuiven en in brokstukken uit elkaar valt. De losse fragmenten van dit uiteengevallen kalkplatform zakken in de zachte onderliggende zoutlagen weg, terwijl nieuw sediment in de depressies tussen de individuele kalklichamen wordt afgezet.

 

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.17. De brokstukken van het uit elkaar gevallen kalkplatform zakken weg in de onderliggende zachte Werfener formatie. In het proefschrift uit 1963 van G.B. Engelen, 'Gravity Tectonics in the Northwestern Dolomites' wordt dit wegzakken in al z'n verschijningsvormen uitvoerig beschreven.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.18. Aan het eind van het Trias breekt het Zuid Alpien van de Europese continentrand af. Golven van magma en superkritisch water in 'surge channels' onder de bovenkorst transporteren het Zuid Alpien oostwaarts. Zo ontstaat de situatie als weergegeven in figuur 16.2. Vanuit de 'surge channels' bereiken lava en superkritisch water, via spleten (rood) in de bovenliggende continentale korst het aardoppervlak. De lava vult de depressies tussen de brokstukken van het uiteengevallen kalkplatform (5a). Bovendien worden lava en superkritische vloeistoffen in de brokstukken van het kalkplateau geinjecteerd. Daarbij vindt hydrothermische omzetting van kalk in dolomiet, een magnesiumhoudende kalksteen (roze), plaats. Ook worden sommige brokstukken van het kalkplatform door lavalagen afgedekt (5b).

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

 

Figuur 16.19. Gedurende de Jura en Krijt perioden doet zich een bescheiden rifontwikkeling (paars) voor op en tussen de uiteengevallen brokstukken van het kalkplatform. Deze rifstructuren worden het Cassian dolomiet (6b) genoemd.

'Die Riffe waren in Form von Saumriffen entwickelt, die in einem schmallen Streifen die Randzonen der Erhebungen umgaben. Algen und Schwamme aber auch Korallen in ertmals grosser Zahl producierten das starre Kalkgerust. Durch das fast vollige Fehlen einer Absenkung des Meeresbodens konnten die Organismen allerdings nur sehr begrenzt in die Hohe bauen' (Stingl, W., Wachtler, M., Dolomiten: das Werden einer Landschaft, 1999, p.72)

In tegenstelling tot het Schlern dolomiet (4) bestaat het Cassian dolomiet (6b) uit echte in situ riffen. Nummer 6c stelt de Cassian formatie voor. Die is opgebouwd uit materiaal dat aan de voorkant van de riffen is afgezet, terwijl het bij 6a om lagune afzettingen achter de riffen gaat. De Cassian formatie is beroemd om z'n fossielenrijkdom van meer dan 1000 soorten. Let wel: het gaat bij de Cassian formatie en het Cassian dolomiet om afzettingen die slechts een relatief dunne toplaag vormen in het geheel van sedimenten waaruit de Dolomieten zijn opgebouwd.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.20. In het Kwartair worden door gletsjererosie U vormige dalen, firnbekkens (kommen waarin zich ijs ophoopt, waaruit gletsjers ontstaan) en  terrassen in de afzonderlijke brokstukken van het uiteengevallen kalkplatform uitgesleten. In het Holoceen zijn de terrassen en dalbodems bedekt met rivierafzettingen.

 

Klik op de afbeelding om te vergroten.

Figuur 16.21. Gletsjers hebben tijdens de ijstijd (Kwartair) U vormige dalen (midden) en firnbekkens (rechtsachter) in de brokstukken van het uiteengevallen kalkplatform uitgesleten. Ook het hellend plateau halverwege het massief, links op de foto, is door gletsjers gevormd. Alleen het bovenste deel van de massieven bestaat uit fossiele riffen. Vaak is in dit hogere deel van de rotsformaties de grens zichtbaar tot waar het gletsjerijs de gesteenten heeft gepolijst. Deze grens wordt de 'Schliffgrenze' genoemd.

 

In het volgende hoofdstuk wordt het ontstaan van het Jura gebergte aan de noordkant van de Alpen behandeld. Deze tektonische eenheid bestaat uit plooiingen en overschuivingen van kustsedimenten ten noorden van het Voorlandbekken. Hun wordingsgeschiedenis is, net als de tektonische ontwikkeling van het Oost Alpien en de Dolomieten, in hoge mate bepaald door de krachtsexplosie van magmastromen onder de continentale bovenkorst als resultaat van de multiple impactevent aan het eind van het Krijt.